Menu



Preken
Informatie over de kerkdienst
Voorganger:Ds. J. Henzen
Datum:zondag 4 juli 2010
Plaats:Adventskerk
Eerste schriftlezing:2 Koningen 6: 14b-17
Toelichting:Bevestiging en afscheid ambtsdragers
Aanvangslied: Psalm 24: 1 en 4
Na Votum: Psalm 24: 3
Na verootm. Gez. 408: 3
Na genadeverk. Gez. 408: 4
Na gebod Gez. 408: 6
Na Schriftlezing: Psalm 121
Na preek: Gez. 448: 1 en 2
Na bevestiging (zegenlied): Psalm 134
Slotlied: Gez. 473: 1,2,5,7 en 9


“Ik sla mijn ogen op en zie de hoge bergen aan, waar komt mijn hulp vandaan?”

Woorden uit het eerste vers van Psalm 121 die we zojuist met elkaar zongen en
waarin we een mens herkennen die het leven zwaar valt en die het niet meer
zitten ziet, die geen uitweg in zijn leven meer kan ontdekken.
“Ik sla mijn ogen op en zie de hoge bergen aan, waar komt mijn hulp vandaan?”
Het zijn de eerste woorden van een pelgrimslied, waarin een mens onderweg zich
vermoeid en uitgeput afvraagt hoe het nou toch verder moet. Ooit zo vol
enthousiasme begonnen, ooit het leven beschouwend als vol van belofte en als een
uitdaging tegemoet, ooit vol geloof en ervan overtuigd dat God erbij is en zijn
Koninkrijk, het hemels Jerusalem het heerlijk doel.
En dan zijn er hier vanmorgen ongetwijfeld mensen aanwezig die in stilte huilen
en denken: “Die woorden van die pelgrim zijn woorden van mij, jullie moesten
eens weten hoe ik me voel, hoeveel ik, gelittekend door zoveel wat mij overkwam
en overkomt, aan geloof en hoop ben kwijtgeraakt.
Ongetwijfeld omringd door reisgenoten voelde de pelgrim uit Psalm 121 zich toch
moederziel alleen en wie weet wel van God verlaten en ook wij, ook wij kunnen
met een grote gemeente om ons heen het gevoel hebben dat we er helemaal alleen
voor staan. “Ik sla mijn ogen op en zie de hoge bergen aan, waar komt mijn hulp
vandaan?”
En dan moet ik denken aan Gehazi, de bediende van de profeet Elisa, die vroeg in de morgen opstaat en bij het naar buiten gaan ziet dat de stad Dotan, de plaats waar Elisa en hij verblijven, omringd is door de legers van de koning van Aram.
Strijdwagens en paarden, helmen en schilden, zwaarden en speren, een overmacht
aan geweld, waar de mensen in de stad niets tegen kunnen beginnen.
En dan Gehazi die uitroept tot zijn meester: “Wat moeten we beginnen, heer?”
Woorden waaruit de wanhoop en de radeloosheid opklinken en die ons een
kwetsbaar mens tonen, die enkel en alleen oog heeft voor wat hem in een donkere
dreiging omringt.
‘Kijk toch die wagens en kijk toch die paarden, kijk toch die soldaten die tot detanden bewapend, niet kunnen wachten op het signaal om Dotan in te nemen en al
haar bewoners van het leven te beroven. Kijk toch naar wat aan het gebeuren is enwat ons als een vloedgolf mee zal sleuren en verdelgen.
En, gemeente, op een moment als dit komt dan de vraag bij mij op hoe het nou toch mogelijk is dat Gehazi zo in paniek is, want wat heeft hij met de profeet Elisa allemaal al niet meegemaakt? Wonderen heeft hij voor zijn eigen ogen zien
gebeuren, woorden van geloof en vertrouwen heeft hij met zijn eigen oren gehoord
en hoe vaak was God niet bijna tastbaar aanwezig in dit alles?
Aan de zijde van zijn meester deelde Gehazi in de overwinning en putte hij hoop
voor wat in de toekomst komen zou.
Maar op wat hij nu ziet had hij duidelijk niet gerekend, stiekem was Gehazi er
misschien van uitgegaan dat de nabijheid van de profeet hem zou beschermen
tegen alle kwaad en dat ellende hem verder bespaard zou blijven.
“Waar hebben we dit nou toch aan verdiend?” vroeg een vrouw zich afgelopen
week af aan het bed van haar oude en zieke man in het verpleeghuis. Een vraag
waarmee ze duidelijk aangaf dat ze het toch wel wat anders had verwacht en dat
dit moeilijk te rijmen is met de belofte van het geloof.
En dan roept de knecht van Elisa uit: “Wat moeten we beginnen, heer?”
We herkennen het gevoel van machteloosheid. Het gaat over een overmacht aan
geweld, dat je bij voorbaat de moed in de schoenen zinken doet en waartegen
eigenlijk niets is te beginnen. Verslavingen, wat kan dat een zware strijd zijn,
waarin je zo vaak weer verliest, depressies en mensen die lijden aan een burn-
out, ongeneeslijke ziekten, omstandigheden die tegen zijn, mensen, soms zelfs
medegelovigen, die het je moeilijk maken en uit lijken te zijn op je val.
Overmacht, je wilt er zo graag iets aan doen, maar waar moet je beginnen als je
bij voorbaat al weet dat er tegen al die krachten eigenlijk niets uit te richten
valt?
“Wees niet bang, wij zijn met meer dan zij!” Elisa bemoedigt zijn knecht met
woorden van vertrouwen en geloof; Elisa ziet de nood van Gehazi en stelt daar
Gods Woord tegenover.
Gods Woord dat in alle omstandigheden van het leven zegt dat we niet hoeven te
vrezen. Gods Woord dat mensen vertelt hoe het in het leven werkelijk zit en dat
de machten van de duisternis nooit opgewassen zijn tegen de macht van het Licht.
In Jesaja 41: 10 dat geweldige nieuws in de hopeloos gedachte situatie van een
volk in ballingschap: “Wees niet bang, want Ik ben bij je, vrees niet, want Ik ben je God. Ik zal je sterken, Ik zal je helpen, je steunen met mijn onoverwinnelijke rechterhand”.
In het begin van de jaren negentig, toen ik nog kandidaat was en na een dienst in een wijkgemeente in Den Haag contact kwam met een man die vertelde dat hij
kort geleden nog maar zijn vrouw verloren was. Wat was hij eenzaam en wat was
hij verdrietig en wat had ik als jonge vent die oudere man die zoveel hopeloosheid uitstraalde nou eigenlijk te bieden?
Ik luisterde naar hem, ik legde mijn hand op zijn schouder en ik las hem die tekst voor uit Jesaja 41. En jaren later, toen ik hem nog eens ontmoette vertelde hij me hoe op dat moment die tekst als een Woord van God tot hem was gekomen en hoe zijn leven een positieve wending had gekregen, omdat hij zag hoe het werkelijk was.
Hoe het werkelijk was, hoe het werkelijk ís, gemeente, hoe het werkelijk is voor
u, voor jou en voor mij die zich zo vaak blindstaren op de omstandigheden of op de toestand van wie ons zo lief en dierbaar is.
Als antwoord op het gebed van Elisa gaan de ogen van Gehazi open en weet u wat
hij ziet?
De heuvels rondom de stad, zij staan vol met paarden en wagens van vuur,
opgesteld in een wijde kring rondom Elisa en hijzelf staat er, aan de zijde van
zijn meester, eigenlijk ook middenin.
Paarden en wagens van vuur, een hemels leger dat ongetwijfeld uit talloze
engelen bestaat.
En dan moet ik denken aan die keren dat ik aan het sterfbed van een gemeentelid
getuige mocht zijn van iets heel bijzonders.
Een verdrietige situatie met de familieleden, de partner en de kinderen om de
stervende heen. En dan opeens die doodzieke mens die de ogen opsloeg en met een
blik vol vreugde en verwachting keek naar iets dat zich afspeelde in zoiets als
een andere wereld of, ik denk beter gezegd, in een andere dimensie.
Wij, wij zagen slechts de zieke en het naderen van de dood, waartegen wij niets
konden beginnen, maar de stervende die zicht kreeg wie weet wel op een geopende
hemel of op een Jezus die als de Levende zijn armen nodigend uitstrekt.
En wie weet waren het wel ontelbare engelen die in al het verdriet de kamer
vulden en niet alleen de stervende, maar ook zijn dierbaren omringden.
“Wees niet bang, wij zijn met meer dan zij”, antwoordde Elisa tot zijn knecht
Gehazi.
En wij, wij mogen het elkaar ook toezeggen in de wisselende omstandigheden van
het bestaan: “Wees niet bang, wij zijn met meer dan zij!”
En dan zo heel af en toe vanuit de aardse onzekerheid een blik mogen richten op de hemelse realiteit: God de Vader die voor ons zorgt, de Zoon die zijn leven voor ons gaf, de Heilige Geest die ons de weg wijst naar de toekomst en ........talloze engelen die ons op deze weg begeleiden en als trouwe wachters aan onze zijde gaan.
“Ik sla mijn ogen op en zie de hoge bergen aan, waar komt mijn hulp vandaan? Uit
de Psalm zelf klinkt het hoopvol en bemoedigend antwoord:
“Mijn hulp is van mijn
Here;
des daags en in de nacht houdt Hij voor u de wacht.
Hij zal uw komen en uw gaan, wat u mag wedervaren, in eeuwigheid bewaren”.


Gemeente, laten we niet bang zijn, wij zijn met meer dan zij!!